Wat ruist daar in het struikgewas van Bosch en Duin.....

Deze uitspraak deed een bekende inwoner van Bosch en Duin reeds lang voordat hij hier kwam wonen. Misschien onwetend van wat er hier inderdaad zo al in het struikgewas ruist. Wij letten meestal niet precies op de kleine geluidjes of denken al gauw dat er een konijntje wegschiet of dat er een paar vogels op de grond rondscharrelen. Maar er is meer gaande in uw bos dan u vermoedt! Met wat geduld en een beetje geluk kunt u een verscheidenheid aan zoogdieren in Bosch en Duin aantreffen. Let in eerste instantie eens op de verschillende uitwerpselen die her en der te vinden zijn in het bos; bepaal dan van welk dier die kunnen zijn. U bent zodoende beter voorbereid welke diersoorten u tegen kunt komen. In de winter maakt de sneeuw het ons gemakkelijk; de dan duidelijk zichtbare sporen verraden de aanwezigheid van de verschillende dieren. Ervan uitgaand dat iedereen de konijnenkeutels en het konijn herkent volgt hier een aantal in Bosch en Duin gesignaleerde zoogdieren.

De egel
Egels komen vrij veel voor. Ze zitten graag. in struikgewas, onder takken of onder dood blad. Ze houden een winterslaap en maken een overwinteringsnest van mos, gras en bladeren. Dit nest is meestal overdekt bijvoorbeeld onder een hoopje blad, in de composthoop of onder een takkenhoop. Ze graven geen ondergronds nest. Ze eten hoofdzakeli k regenwormen en slakken, i maar ook insekten en fruit. Regenwormen, hun belangrijkste voedingsbron, kruipen bij warm weer na regen over de asfaltwegen, waar ze door de egels gemakkelijk ve7ameld kunnen worden. Helaas niet zonder risico! Twee keer per jaar kan een vrouwelijke egel tot maximaal 7 jongen krijgen, de draagtijd is ongeveer 2 maanden. Pas na 2 weken gaan bij de jongen de oogjes open en beginnen hun stekeltjes te verharden. Ze kunnen wel 10 jaar oud worden. Uitwerpselen: zwart, cilindervormig met aan één kant een puntje, 1 cm dik en 3 á 4 cm lang. herkenbaar aan de insektenresten waarbij de glinsterende chitinedeelijes opvallen.

De bunzing
De bunzing is een roofdier, 30 tot 45 cm lang en een staart van 15 cm., bruine tot zwarte vacht, de kop wat lichter van kleur met een donkere maskertekening. Hij wordt in de schemering actief en is overwegend een nachtdier. Graaft een eigen hol onder houtstapels of takkenhopen, maar neemt soms ook genoegen met een konijnenhol. Op plaatsen waar hij vaak langs komt zet hij vlaggen die ook door de mens te herkennen zijn als een penetrante intense stank, vooral duidelijk als de grond vochtig is. De bunzing leeft van muizen, jonge konijnen die hij uitgraaft, eieren en ook vogels die hij desnoods uit een volière haalt Aangevreten eieren zijn herkenbaar aan de gaten die er door de hoektanden ingeprikt zijn. Uitwerpselen: enigszins gedraaid, eindigend in een puntje, 1 cm dik en 6 á 8 cm lang, eventueel harig afhankelijk van de prooi die hij gegeten heeft.

De steenmarter
 Steenmarters komen tegenwoordig steeds vaker in schuren en huizen voor. Hij is groter dan de bunzing, 41 tot 49 cm plus een staart van 25 cm en erg brutaal. Nachtdier. Soms graaft hij een eigen hol, soms woont hij op een zolder of in een schuur waar hij een geweldige bende maakt met uitwerpselen en prooiresten. Hij heeft een witte bef en is wat lichter van kleur dan de bunzing. Voedsel en uitwerpselen als bij de bunzing.

De hermelijn
Deze rover is weer wat kleiner, 22 tot 31 cm plus een staart van 8 tot 12 cm, bruin van boven, geel of gelig/wit van onder. 's Winters soms ook meer wit, maar altijd blijft het puntje van de staart zwart. Hij foerageert (vogeltjes, ratten, muizen) 's nachts maar kan ook vrij vaak overdag genen worden. Hij maakt zijn nest in allerlei holen en gaten, soms ook in woningen. Uitwerpselen als bij de bunzing maar veel dunner en kleiner.

De wezel
De kleinste van de marterachtigen, 15 tot 20 cm plus een staart van 5 cm; bruin, wordt 's winters niet wit Leeft hoofdzakelijk van kleine knaagdieren. Een onvermoeibare jager die vooral in de nacht op stroperspad gaat.

Het ree
Deze sierlijke dieren komen voor in jong bos en in bos met veel ondergroei, zowel loofbos als gemengd bos, kreupelhout, bosranden, open veld met goede dekking en zo nu en dan in de (bos)tuin. Komend vanuit het Panbos dwalen de reeën soms door Bosch en Duin of rennen, opgejaagd door het verkeer, schichtig rond. De vacht is 's zomers roodbruin, 's winters grauw; alleen het jeugdkleed is gevlekt. Vanaf het vooijaar tot in de zomer veegt het manneije zijn gewei aan struiken en stammen en maakt daarbij krabplaatsen. Een ree eet ongeveer 4 kg groenvoer per dag, landbouwgewassen, bladeren, twijgen van bomen en struiken en in de winter knoppen, eikels en beukenootjes. Uitwerpselen: keutels van 1 tot 1 112 cm lang en 1 cm dik zwart of donkerbruin, met één puntig en één afgerond uiteinde.Deze liggen in hopen bij de eetplaatsen, maar worden ook gewoon tijdens het lopen gedeponeerd. Zijn vergelijkbaar met die van een schaap of een geit.

De vleermuis
In Nederland komen verschillende soorten van deze handvleugelige zoogdieren voor. Vooral in de zomer als er veel insekten zijn vliegen zij kort na zonsondergang rond op zoek naar prooi die zij lokaliseren met ultrageluid op de manier van "sonar". Ze slapen overdag in holten, in een boom, in de spouw of tussen opgeslagen hout. Uitwerpselen: donkerbruin tot zwart~ 1 cm lang en een paar mm dik met aan een kant een klein puntje; worden gedeponeerd onder of bij hun slaapplaats.

De bosmuis
Klein muisje 7 tot 11 cm met een lange staart van 7 tot 15 cm (langer dus dan het lichaam), grote oren en ook grote ogen. Van boven bruin?grijs gekleurd en aan de onderzijde grijsachtig wit. Kan goed klimmen en springen, is overwegend een nachtdier, graaft eigen holen of woont soms boven de grond in een oud vogelnest. Afgedankte bosmuizenholen kunnen in een volgend stadium weer door hommels worden bewoond. Bosmuizen leven grotendeels van zaden die zeer voedselrijk zijn, knoppen en loten van jonge planten. Uitwerpselen: zwart 112 cm lang en lá 2 mm dik.

De veldmuis
Deze is iets groter dan de bosmuis 9 tot 13 cm met een korte staart van 3 tot 5 cm. Aan de bovenkant grijs, aan de onderkant lichter van kleur. Zij leven van jonge planten en wortels, zaden, granen en knollen van cultuurplanten. Is soms overdag in de weer, bijvoorbeeld tussen de campanula stengels die opeens heen en weer zwiepen waarna er een veldmuisje met een blauw klokje in de bek wegsnelt, een heel eigenwijs gezicht. Zo'n 7 maal per jaar kan het vrouwtje 4 tot 12 jongen krijgen; zeer tot genoegen van de bunzing, hermelijn, wezel etc. Maar komen er toch te veel veldmuizen, dan krijgen de dieren last van stress wat ten koste van de voortplanting gaat en waarmee de populatie weer drastisch in elkaar zakt. Uitwerpselen: als van de bosmuis.

De rosse woelmuis
De lichaamslengte is 8 tot 12 cm met een staart van 3 tot 7 cm. Hij onderscheidt zich van de veldmuis door zijn karakteristieke roodbruine rug. Flanken zijn grijs en de onderkant is lichtgrijs. Is overwegend actief in de ochtend? en avondschemering.Woont in heggen of struikgewas. Ze eten zaden van grassen en bomen, wortels, boominsecten en boomschors. Voor de winter kunnen ze enorme voorraden eikels, beukennootjes of hazelnoten aanleggen. Er is een geval bekend van een rosse woelmuis die een steenuilenkast gevuld had met een enorme hoeveelheid eikels waarmee hij tot ruim in het volgende voorjaar toekwam. Uitwerpselen: als van bosmuis en veldmuis.

Conclusie
Er is zoveel te zien en te ontdekken in uw bos en in uw tuin dat u altijd wel beloond wordt wanneer u de tijd neemt voor een kleine speurtocht. En neem dan vooral een (klein?)kind aan de hand mee want die kijken vaak snel rond, zien sneller de keutels of ontdekken een muizenholletje in de grond.


Bosch en Duin e.o.

Het weer in Bosch en Duin

Schoonmaakbedrijf Meerwijk Werring Schuler Gum Bilthovense Boekhandel